Japans


Japanse woordenschat

Ter info: dit is een lijst, door de jaren heen, samengesteld door Edwin. Mocht je een foutje ontdekken, laat ‘t hem weten zodat we dit kunnen rechtzetten 😉


Japanse cijfers:

1 = ichi
2 = ni
3 = san
4 = shi (ook wel “yon” in andere sporten)
5 = go
6 = roku
7 = shichi (ook wel “nana” in andere sporten)
8 = hachi
9 = kyu
10 = ju


Japanse benamingen lichaamsdelen:

Lichaamsdelen in ‘t Japans
Japanese body
Japanese body

Ai hanmi: Elkaar met dezelfde hand aan de pols grijpen (dus bv beide met de rechterhand)

Ai hanmi katate tori: aanval waarbij Tori en Uke elkaar vast nemen aan de pols met dezelfde zijde. (bv beide met de rechterhand)

  • Ai hanmi katate tori = Katate kosa tori

Aikikai: De grootste Aikido organisatie met de hoofdezetel in Tokyo, ook wel “Hombu” dojo genoemd

Bokken: (uitgesproken met de nadruk op “ken” en wel eens foutief als “boken” geschreven) Een houten gekromd zwaard dat de Samoerai gebruikten om mee te oefenen in plaats van een Katana

Chudan: natuurlijke, centrale handpositie. (naar de buik)

Dan: graad van zwarte band (je kan dus pas over een “dangraad” spreken vanaf het moment dat iemand zijn zwarte gordel behaalt heeft)

Dojo: School, oefenzaal, trainingshal. De plaats waar er getraind wordt en die daartoe uitgerust is

Domo arigato gozai masu: Dank u (tegenwoordige tijd)

Domo arigato gozai mashita: Dank u

  • beleefdere vorm
  • gezegd bij het einde van de les en in de verleden tijd
  • klemtoon ligt op “ta”, hoe luider, hoe beleefder

Doshu: Grootmeester, iemand die de weg toont. De hoogste positie in de Aikikai. Nu is dit Morihei’s kleinzoon

Dozo: ga je gang!

Eri tori: uke achteraan aan de kraag grijpen met 1 hand 

Eri Dori

Fukishidoin: Leraar van het eerst niveau

Funakogi Undo: roeibeweging

Gi: Het wit pak dat men in aikido en andere vechtsporten draagt

  • wel eens verkeerdelijk kimono genoemd
Aikido gi
Aikido gi

Gyaku hanmi: Elkaar met de tegengestelde hand aan de pols grijpen (dus bv Tori met de rechterhand en uke met de linkerhand.)

Gyaku hanmi katate tori: Elkaar met de tegengestelde hand aan de pols grijpen

  • Tori met de rechterhand en uke met de linkerhand

Hai: ja

Hakama: broekrok; bij Aikido in principe zwart van kleur; in Japan krijg je deze uitgereikt na het behalen van je zwarte gordel. In Europa veelal uitgedeeld na het behalen van je ”groene” gordel. (we dragen enkel een witte of zwarte gordel; de graden zijn vergelijkbaar met de kleuren)

Hakama Aikido
Hakama Aikido

Hanmi no kamae: Rechtstaan houding waarbij één voet vooraan staat

Hanmi positie

Hanmi Hantachi Waza:
Technieken waarbij één rechtstaand (uke) en de ander (Tori) zittend werkt

Hanmi Hantachi Waza

Happo undo: ikkyo undo in acht richtingen

Hiji tori: Het grijpen van de ellebogen. (niet! de mouwen)

Higi dori

Hombu dojo: de oefenruimte van het hoofdkwartier. De hoofddojo van de Aikikai organisatie, gelegen in de Shimjuku wijk in Tokyo

Iriminage: passerende, ingaande beweging

Jiyuwaza:: vrij werken

Jo: een houten stok waarbij de lengte die is gemeten vanaf de grond tot aan je plexus (= middenpunt borstbeen)

Jodan:: een hoge handpositie. (naar het gezicht)

Jiyuwaza:: vrij werken

Jo: een houten stok waarbij de lengte die is gemeten vanaf de grond tot aan je plexus (= middenpunt borstbeen)

Jodan:: een hoge handpositie. (naar het gezicht)

Jodan tsuki

Jodan Tsuki

Kaiten: Openen en draaien

Kaiten nage: Opendraaiende worp

Kamiza: Ereplaats in de Dojo; meestal daar waar de foto van O’Sensei op hangt

Kata: Schouder, type vorm, een kant

Katana: Een echt ijzeren, gekromd Samoerai zwaard

Kata tori: aanval waarbij met een hand de schouder vast genomen wordt

Kata tori

Katate: een hand

Katate tori: aanval waarbij met een hand de pols wordt vast genomen

  • Katate tori = Afkorting van Gyaku Hanmi Katate dori
Gyaku hanmi katate dori = Katate Tori

Katate kosa tori: aanval waarbij Tori en Uke elkaar vast nemen aan de pols met dezelfde zijde

  • Ai hanmi katate dori
  • bv beide met de rechterhand
katate kosa tori = Ai hanmi
Katate Kosa Tori

Katate Ryote tori: aanval waarbij met twee handen de pols wordt vast genomen

  • Katate Ryotetori = Morote dori

Kiai: De oefening die bestaat uit explosief uitademen van de hara (buik) met geluid, gewoonlijk gebruikt men de kreten ‘Ei’ en ‘Toh’

Kotegeashi

Kyu: De graad die iemand heeft

Koho Tento Undo: achterwaartse rolbeweging en heup inzetten bij het rechtkomen

Koshi: Heup

Ma-ai: De juiste afstand tussen Tori en Uke

Mae: van voren

Mae Ukemi: Voorwaarts rollen

Mune tsuki: Stoot naar de plexus

Mune tsuki

Morote tori: Met twee handen één arm grijpen

  • Morote tori = Katate Ryote Tori

Nage: Werpen; bv tori werpt uke in bv kaitennage

  • ook wel als alternatief voor Tori gebruikt: Hij die de techniek uitvoert)

Onegai Shimasu: Laat ons beginnen, we zijn gereed voor de training. Ik ben bereid om van je te leren

Orenaite: Onbuigbare arm

Randori: vrij oefenen; vrije stijl van technieken tegen meerdere aanvallers

Ryote: met twee/beide handen grijpen

Ryo Katate Tori: twee polsen met jouw twee armen grijpen

Ryote Tori: Met twee/beide handen de polsen van de Tori grijpen

  • Ryote Tori – is niet – Ryo Katate Tori

Sayu undo: zijwaartse snijbeweging (arm omhoog) met zinkende heup

Sayu Choyaku undo: Sayu undo maar nu met een kruispas uitgevoerd

Seiza: geknield zittende houding

Shiko: start in seiza en alzo wandelen “op je knieën”

Shidoin: Ervaren leraar

Shihonage

Shizentai: Staande stevige houden met de voeten naast elkaar

Shimoza: de achterzijde van de dojo

Shomen: “Voorkant” ook; voorste gedeelte van de dojo waar de kamiza hangt

Shomenuchi: Verticale, rechte slag naar midden van het hoofd

Shomenuchi Ikkyu Undo: Beide armen omhoog en terug naar het centrum (heup)

Shomen ni rei: Groeten naar de Shomen

Shugyo: Voortdurend oefenen

Soto : buitenom

Sode tori: Het grijpen de mouw aan de elleboog

Sode Dori
Sode Dori

Sudori: Verdwijning (op je knieën onderin duiken bij aanval)

Suwari Waza: Zittende technieken (op je knieen werken)

Suwari Waza

Tai sabaki: Draaiende beweging van het lichaam

1e tai sabaki: 180° draaien terwijl je je voeten meedraait

  • = Zengo Undo

2e tai sabaki: De achterste voet ruggelings uitdraaien

  • = Tenkan Undo

3e tai sabaiki: Instappen en de voet die dan vanachter staat ruggelings uitdraaien

  • = Udefuri Choyaku Undo

Tanto: een houten mes

Taichi Waza: Rechtstaande technieken. (gewoon rechtstaand werken)

Tachi Waza

Tenchi: Ten = hemel, chi = aarde => hemel & aarde

Tekubi kosa undo: handen laten samenvallen op heuphoogte

Tekubi joho kosa undo: handen laten samenvallen op hoofdhoogte

Tenkan: ‘draaiende verandering of wegdraaien (bv door 2e tai sabaki)

Tori: Vastgrijpen, nemen, vasthouden

  • Hij die de techniek uitvoert – ook wel Nage genoemd

Tsuki: stoot

Udefuri undo: Heup draaien, hiermee de armen links en rechts rond het lichaam zwierend.

Udefuri Choyaku undo: 3e tai sabaki (stap voorwaarts + stap ruggelings uitdraaiend)

  • choyaku = met instap

Uke: Hij die de techniek ondergaat.

Ukemi: “ontvangt lichaam”, val breken; de kunst van je balans te herstellen door vallen en rollen.

Undo: Oefening

Ushiro: achterom gaan

Ushiro

Ushiro ryokatate tori: Achterom gaan en met beide handen de beide polsen grijpen.
= Ushirotekubitori

Ushiro ryo katate tori

Ushirotori undo: aanval langs achteren oefening (armen alsof ze bal vast hebben, dan één arm naar voren strekken, de andere naar achteren

Ushiro Ukemi: achterwaarts rollen

Ushiro Tekubitori: Achterom gaan en met beide handen de beide polsen grijpen.

 Ushiro Tekubitori = Ushiro ryokatate dori

Ushiro Tekubitori undo: beide polsen voor je hoofd samenbrengen, dan beide polsen naar beneden brengen

Uchi-deshi: inwonend leerling (waarbij je een sterk doorgedreven voltijdse {= ja,… 7 op 7} training doorstaat. Dit is niet voor iedereen weg gelegd doch Edwin merkte na zijn eerste uchi-deshi periode in NY bij zijn terugkomst in België dat hij fysiek zeer sterk geworden was

Waza: Technieken. (geen dialect à la “wa zeide?”)

Yame: Stop!

  • Als de leraar ”yame” roept klapt hij meestal ook in zijn handen
  • Groet dan je partner af en ga zo snel als mogelijk terug aan de kant in de rij zitten

Yoko: zijdelings

Yokomen Uchi: Slag naar de zijkant van het hoofd of nek

Yudansha: Zij die een dan graad bezitten

Zanshin: Alertheid; ononderbroken concentratie om alert te blijven zelfs na een worp of klem. Dit om een eventuele nieuwe aanval te kunnen ontvangen.

Za-zen: Religieuze meditatie voor Shintoïsme

  • men zit bijna zoals in kleermakerszit met een voet op je been
  • = lotushouding

Zen: Religieuze meditatie voor Boeddhisme

  • men zit bijna zoals in kleermakerszit met de voeten tegen elkaar).

Zengo undo: ikkyo undo maar dan naar voren en naar achteren

  • 180° draaien van de heup